Onu tek başına yapsın.
- Laat hem het alleen doen.
Tek başına seyahat etmek istiyor.
- Hij reist graag alleen.
Buraya yalnız mı geldin?
- Ben je hier alleen heen gekomen?
Kütüphanede yalnızdılar.
- In de bibliotheek waren ze alleen.
Ben sadece söylüyorum!
- Ik zeg het alleen maar!
Cümleler bize çok şey öğretir. Sadece kelimelerden daha fazlasını.
- Zinnen leren ons veel. Meer dan woorden alleen.
Du musst lediglich das Zimmer aufräumen.
- Je hoeft alleen maar je kamer schoon te maken.
Das liegt daran, dass du nicht allein sein willst.
- Dat is omdat je niet alleen wilt zijn.
Ein Unglück kommt selten allein.
- Een ongeluk komt zelden alleen.