Başkalarına karşı samimi davranmayı zor bulurdum.
- Ik vond het moeilijk om vriendelijk te zijn tegen de anderen.
Yağmura karşı bir korunak aradı.
- Hij zocht beschutting tegen de regen.
I fought against sleep.
- Ik vocht tegen de slaap.
Are you for or against abortions?
- Ben je voor of tegen abortus?
She pressed her nose against the glass.
- Ze drukte haar neus tegen de ruit.
All civilized countries are against war.
- Alle beschaafde landen zijn tegen oorlog.